
De
Scheidingsweg was de grens van marke Odoorn en marke Exloo.
De
historie en betekenis van de boermarke in Drenthe.
We kunnen ver in de
geschiedenis terug gaan, want het ontstaan
van
boermarken (vaak ook
marke genoemd) kan in feite worden
gezocht in de tijd toen de Germanen zich op vaste plaatsen
vestigden.
De overgang van het
nomadenvolk
naar een volk dat
akkerbouw bedreef.
Het door een stam in bezit genomen gebied door alle leden van de
stam
gemeenschappelijk te laten gebruiken, is eigenlijk de oervorm van
een
marke. Marke betekende oorspronkelijk "grens". De
markegronden
vormden een begrensd gebied dat bij een nederzetting/dorp
behoorde.
Zo'n gebied werd eveneens met de naam Marke aangeduid.
Duidelijk
vorm en organisatie kregen de marken in de 13de eeuw.
De bevolkingstoename
bracht het gevaar mee, dat de uitgestrekte velden, bossen en venen rond de
dorpen niet
meer in voldoende mate beschikbaar zouden blijven voor
iedereen. Daarom zijn toen door samenwerking van
de boeren in de dorpen eigenlijk spontaan markenorganisaties
ontstaan. In onderling overleg tussen boeren uit
verschillende dorpen werden markegrenzen vastgesteld en er werden
regels opgesteld voor het gebruik van het
gemeenschappelijk gebied.
De erven bij de boerderijen en de bouwlanden bij de dorpen (de
essen) bleven particulier bezit. Marken kwamen
niet alleen voor in Drenthe, maar ook bijvoorbeeld in Groningen,
Friesland, Overijssel en Gelderland en zelfs in
Utrecht en Brabant. En wat het buitenland betreft in
West-Duitsland, Denemarken en Zwitserland.
In de verschillende gebieden kende men verschillende typen van
marken. In Drenthe kennen we vanouds de
zogenaamde vrije marken. Dat wil zeggen, dat hier geen sprake was
van één grootgrondbezitter zoals in
Brabant bijvoorbeeld een edelman (Heer) of een Klooster - maar van
eigenaren die ongeveer of helemaal
gelijke rechten hadden, de markegenoten. Dat waren oorspronkelijk
de vrije, eigenerfde boeren; boeren die
een eigen erf hadden (een boerderij met omliggend terrein) en een
stuk grond op de es.
De meiers (pachtboeren) en de keuters (kleine boeren, vaak tevens
landarbeider) behoorden niet tot de
markegenoten.
Iedere eigenerfde boer had een aandeel in de marke. Zo'n aandeel
wordt/werd waardeel genoemd. Aan de
hand van de hoeveelheid waardelen die men had werd onder meer
bepaald hoeveel plaggen men mocht steken,
hout men mocht kappen, vee men mocht laten weiden op de
gemeenschappelijke weiden en schapen op de
heide en hoeveel telgen (jonge bomen, meestal eiken) men moest
planten.
De door de markegenoten gekozen volmachten vormden in feite het
dagelijks bestuur van een marke. Zij traden
namens de gemeenschap op, zorgden voor uitvoering van besluiten en
hadden het recht van executie.
Op de begroting van een marke kwamen als inkomstenposten onder meer
voor de opbrengsten van de jaarlijkse
houtverkoop en de verhuur van het jachtveld. De uitgaven bestonden
in hoofdzaak uit de kosten van onderhoud
van zandwegen en afwateringen. De markerorganisatie voorzag in alle
behoeften van een Drents dorp.
Na de inlijving bij Frankrijk bleek er van de publiekrechtelijke
taak van de marken, het maken van verordeningen
(willekeuren) niet veel meer over. Dit soort zaken ging over naar
de gemeenten. Zo rond de jaren 1830/1840
kwamen de markescheidingen op gang.
Markescheiding hield in, dat gedeelten van de gemeenschappelijke
gebieden op basis van het waardelenbezit
in particulier bezit kwamen. Dat werd uit economisch oogpunt
kennelijk beter gevonden.
Voor de gevallen waarin niet tot markescheiding kon worden gekomen
kwam een speciale regeling tot stand in
de Markenwet van 1896. Voor Drenthe was deze wet van weinig
praktisch belang, omdat een groot deel van de
Drentse marken toen al was verdeeld.
Naarmate de
bestuursorganen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen meer taken
tot zich trokken
verloren regelingen en werkzaamheden in markeverband meer en meer
hun betekenis.
(Uit:
De betekenis van de Boermarken in Drenthe. Uitgave van de vereniging van
Drentse Boermarken. Publicatie: 15 mei 1996)