Rusken is Drents voor Russen (verzamelnaam voor een aantal grassoorten
waaronder Pitrus)
Het is ook in Drenthe een veelgehoord punt van kritiek dat de nieuwe
natuurlanderijen zoveel 'rusken' hebben
die zich sterk kunnen uitbreiden.
Het vee vreet het niet. Een goeie boer schaamde zich vroeger als hij
een stuk land had waarin pitrus
overheerste. Het duidde op slecht onderhoud.
oude uitleg begin 20e eeuw:
Russchen
Een soort van korte, dunne, fijne biezen, die aan pollen op
moerassige heidegronden groeien en uitschieten,
en tot fijne vloermatten worden gebezigd.
Ook schelt de kleine boer ze wel af en gebruikt dan het merg of de pit
in de lamp in plaats van lampenkatoen,
vandaar de benaming russepitten, lampenpitten. En zoo kent men
in de Engelse taal "rushlight" voor bieslicht.
De bruine stengels zijn te hard en te droog. Het merg staat als
een dun wit staafje dat poreus is en vet of olie
opneemt - als lampepit. Het systeem moet al 2000 jaar oud zijn,
zeggen Britse bronnen.
Er schijnen daar nog oude knijpertjes te zijn, waar je zo'n los
biezenkaarsje in kon klemmen.
Tijdens perioden zonder elektriciteit en schaarste aan kaarsen
in WOII, is op sommige plaatsen in Engeland
weer gebruik gemaakt van lampenpitjes uit de pitrus of de
'ruskepit', zoals de Groningers zeggen.
En al is het gebruik als lampepit verdwenen, de naam bleef. Zeker in Drenthe.
Onder
"biezen" verstaat men meer de dikker en hoger opschietende
soort, welke in en langs
het water wast
en doorgaans tot het matten van stoelen en grove vloermatten
gebezigd wordt.