In
de 19e eeuw breidde de bevolking zich langzaam uit, daarom moest het
land intensiever worden gebruikt.
Uit de arme zandgrond haalde je vrij weinig, er was mest nodig. En de
hoeveelheid mest bepaalde de grootte van het bouwland en de tuintjes (daarom
werd de boer, die ver van huis achter een bosje z’n behoefte deed en werd
ontdekt,
zwaar uitgescholden).
De hoeveelheid mest werd bepaald door de hoeveelheid vee. Het aantal koeien, dat
je kon houden, hing af van je weiland en dat hing weer af van je hoeveelheid
natte gronden. In Odoorn vond men die in de venen en meertjes ten zuidwesten van
het dorp (een viaduct in de rijksweg nu, heet dan ook naar die streek: Oringer
weide).
Met de schapen trok men de droge gronden op:
daardoor verschraalde de grond en
kregen bomen
en gras geen kans meer, er kwamen grote
heidevelden. “s Nachts
werden de schapen in de
schaapskooi gezet, waar hun mest composteerde
met de geregeld
opgebrachte lagen heideplaggen.
Paarden, geiten en mensen brachten ook nog wat
mest op.
Met de beschikbare mest kon beperkte landbouw
en tuinderij beoefend worden, dat
gebeurde in de
goorns, de kampen en op de es.
Bij de boerderijen waren nog
tuintjes en landjes
voor paarden, geiten enz. (het dorp was ruim).
De goorns waren tuinen (niet bij de huizen, dus
ongeveer volkstuintjes), de kampen waren
zeer
dicht bij het dorp en hadden daarom de meest
intensieve bebouwing en op de
es was de
gewone landbouw.
Alle
producten van het land en van het vee waren
bestemd voor eigen gebruik. Soms kon
men iets
verkopen aan rondreizende handelaren, die dan
ook weer iets te koop hadden. Deze toestand
heerste ook in Odoorn.
Na
ongeveer 1885 konden, door het langzaam
beschikbaar komen
van kunstmest en door een
opleving van de landbouw na een grote prijzencrisis,
de kampen werden uitgebreid: er werd een
stuk
heide ontgonnen ten oosten van het dorp en daarop werden in 1889 de Nieuwe Kampen aangelegd en ook een stuk
bos,
dat als geriefhout voor bouwwerken, hekken, weidepaaltjes enz, had moeten dienen,
maar dat er nu nog altijd staat.
Na
1900 kon de landbouw zich door intensiever gebruik van kunstmest sterk
uitbreiden en werd de heide ontgonnen.
Maar het was niet allemaal zo reusachtig als men eerst dacht: soms hielp de
kunstmest niet. (Later vond men uit dat
er een gebrek aan koper was). Ook uit oogpunt van werkverschaffing kocht daarom
de staat daarom grond op
(meestal die stukken, die minder vlak waren) en begon, vanaf ongeveer 1920,
staatsbossen aan te planten, gevolgd
door de gemeente en enige particulieren.