Economie van de vroegere esdorpen in Drenthe en die van Odoorn in het bijzonder

De hoge zandgronden in Drenthe waren vóór 1800 vooral bedekt met eiken - berkenbossen. In aantal woonden er weinig 
mensen en binnen de Republiek der Zeven  Verenigde Nederlanden  telde deze provincie niet mee. 
Het is bekend, dat Koning Lodewijk Napoleon in Odoorn is komen te jagen en dat zal hij niet op kale heidevlakten hebben gedaan.

In de 19e eeuw breidde de bevolking zich langzaam uit, daarom moest het land intensiever worden gebruikt.
Uit de arme zandgrond haalde je vrij weinig, er was mest nodig. En de hoeveelheid mest bepaalde de grootte van het bouwland en de tuintjes (daarom werd de boer, die ver van huis achter een bosje z’n behoefte deed en werd ontdekt, 
zwaar uitgescholden).
De hoeveelheid mest werd bepaald door de hoeveelheid vee. Het aantal koeien, dat je kon houden, hing af van je weiland en dat hing weer af van je hoeveelheid natte gronden. In Odoorn vond men die in de venen en meertjes ten zuidwesten van het dorp (een viaduct in de rijksweg nu, heet dan ook naar die streek: Oringer weide).

  Met de schapen trok men de droge gronden op:
  daardoor verschraalde de grond en kregen bomen 
  en gras geen kans meer, er kwamen grote 
  heidevelden. “s Nachts werden de schapen in de
  schaapskooi gezet, waar hun mest composteerde 
  met de geregeld opgebrachte lagen heideplaggen.
  Paarden, geiten en mensen brachten ook nog wat
  mest op.
  Met de beschikbare mest kon beperkte landbouw 
  en tuinderij beoefend worden, dat gebeurde in de
  goorns, de kampen en op de es. 
  Bij de boerderijen waren nog tuintjes en landjes 
  voor paarden, geiten enz. (het dorp was ruim). 
  De goorns waren tuinen (niet bij de huizen, dus
  ongeveer volkstuintjes), de kampen waren zeer 
  dicht bij het dorp en hadden daarom de meest
  intensieve bebouwing en op de es was de 
  gewone landbouw.
  
 
Alle producten van het land en van het vee waren
  bestemd voor eigen gebruik. Soms kon men iets
  verkopen aan rondreizende handelaren, die dan 
  ook weer iets te koop hadden. Deze toestand 
  heerste ook in Odoorn.

  Na ongeveer 1885 konden, door het langzaam
  beschikbaar komen  van kunstmest en door een
  opleving van de landbouw na een grote prijzencrisis,
  de kampen werden uitgebreid: er werd een stuk 
heide ontgonnen ten oosten van het dorp en daarop werden in 1889 de Nieuwe Kampen aangelegd en ook een stuk bos, 
dat als geriefhout voor bouwwerken, hekken, weidepaaltjes enz, had moeten dienen,  maar dat er nu nog altijd staat.

Na 1900 kon de landbouw zich door intensiever gebruik van kunstmest sterk uitbreiden en werd de heide ontgonnen. 
Maar het was niet allemaal zo reusachtig als men eerst dacht: soms hielp de kunstmest niet. (Later vond men uit dat 
er een gebrek aan koper was). Ook uit oogpunt van werkverschaffing kocht daarom de staat daarom grond op 
(meestal die stukken, die minder vlak waren) en begon, vanaf ongeveer 1920, staatsbossen aan te planten, gevolgd 
door de gemeente en enige particulieren.