De hoeveelheid vondsten kreeg zorgwekkende gevolgen:
tientallen anderen trokken er met de spa op uit om
oudheden te vinden (uiteraard zonder het eclatante succes van de Odoorner groep) en het aankoopbudget van
het museum in Assen raakte uitgeput. Het bestuur vroeg dringend of men wat
minder intensief wilde zoeken.
Inmiddels vond de Odoorner waar zijn weg naar de musea in Leeuwarden en Leiden.
In
Leiden, in het Rijksmuseum van Oudheden, kreeg men eindelijk argwaan. De potten leken wel erg op elkaar,
vond conservator Pleyte, en bleken bij een poging tot schoonmaak op te lossen in water — de vervalsingen waren
eenvoudigweg niet gebakken. Ondanks zijn waarschuwingen ging men in
Assen nog een tijdlang door met aankopen,
ook toen men op het prehistorisch aardewerk christelijke symbolen ontdekte.
Nog bleef men geloven: kwam een deel van het aardewerk niet uit de omgeving waar het vroeg-middeleeuwse
Hunsow moest liggen? En zo ja, konden dan niet zowel het aardewerk als de mythische stad authentiek zijn?
Het onderzoek van een extern deskundige hielp de gelovigen uit de droom. De daders gaven hun bedrog
uiteindelijk
toe, maar daar bleef de zaak vreemd genoeg bij: ze werden nooit
vervolgd en hielden een behoorlijk bedrag over aan
de hele affaire. Mogelijk speelde gene van de kant van het museum een rol.
In 1916 werden de meeste van de honderden resten van de Odoorner cultuur’ die zich in het depot bevonden, in
stilte vernietigd. Omstreeks diezelfde tijd werd de hei tussen Exloo
en Valthe met de stoomploeg ontgonnen.
Er kwam geen enkel spoor van menselijke aanwezigheid tevoorschijn.
Odoorn was een illusie armer.
Bron:
Rond het Eppiesbergie - uitgave ROB