ARCHEOLOGISCHE VERVALSINGEN
 

  Odoorner (nep)aardewerk

  Het was in zo’n gunstige marktsituatie, dat enkele inwoners van Odoorn
  (Johan Arends en Harm Egbert) besloten om het vindersgeluk een handje 
  te helpen.
  Zij vormden, na het bestuderen van tekeningen van echt prehistorisch
  aardewerk, allerlei potten. vazen en later ook figuren van gele klei en
  voorzagen die van ingekraste versieringen. Vervolgens boden ze de eigen
  maaksels als authentieke vondsten aan bij het Provinciaal Museum van
  Oudheden in Assen, het huidige Drents Museum.
  De bestuursleden hadden zulk aardewerk - vanzelfsprekend - nog nooit
  gezien. In plaats van daarom argwaan te koesteren, raakten ze zeer
  enthousiast en kochten de unica voor een relatief hoog bedrag aan. 
  Dat smaakte naar meer.
 
Tussen 1899 en 1901 maakten de vervalsers (een tweetal bekenden uit
  Odoorn) geholpen door vrienden en familieleden enorme hoeveelheden
  ‘Odoorner aardewerk’, aangevuld met nagemaakte stenen bijlen. 
  AlIes werd grif door het museum aangekocht. Niemand twijfelde aan de
  echtheid; de vervalsers namen zelfs de moeite om complete vindplaatsen 
  in het veld na te maken, daar hun producten in te plaatsen en die dan in
  het bijzijn van deskundigen te ‘vinden’.

  De hoeveelheid vondsten kreeg zorgwekkende gevolgen: tientallen anderen trokken er met de spa op uit om 
  oudheden te vinden (uiteraard zonder het eclatante succes van de Odoorner groep) en het aankoopbudget van 
  het museum in Assen raakte uitgeput. Het bestuur vroeg dringend of men wat minder intensief wilde zoeken. 
  Inmiddels vond de Odoorner waar zijn weg naar de musea in Leeuwarden en Leiden.

  In Leiden, in het Rijksmuseum van Oudheden, kreeg men eindelijk argwaan. De potten leken wel erg op elkaar, 
  vond conservator Pleyte, en bleken bij een poging tot schoonmaak op te lossen in water — de vervalsingen waren
  eenvoudigweg niet gebakken. Ondanks zijn waarschuwingen ging men in Assen nog een tijdlang door met aankopen,
  ook toen men op het prehistorisch aardewerk christelijke symbolen ontdekte.
  Nog bleef men geloven: kwam een deel van het aardewerk niet uit de omgeving waar het vroeg-middeleeuwse 
  Hunsow moest liggen? En zo ja, konden dan niet zowel het aardewerk als de mythische stad authentiek zijn? 
  Het onderzoek van een extern deskundige hielp de gelovigen uit de droom. De daders gaven hun bedrog uiteindelijk 
  toe, maar daar bleef de zaak vreemd genoeg bij: ze werden nooit vervolgd en hielden een behoorlijk bedrag over aan 
  de hele affaire. Mogelijk speelde gene van de kant van het museum een rol. 

  In 1916 werden de meeste van de honderden resten van de Odoorner cultuur’ die zich in het depot bevonden, in 
  stilte vernietigd. Omstreeks diezelfde tijd werd de hei tussen Exloo en Valthe met de stoomploeg ontgonnen. 
  Er kwam geen enkel spoor van menselijke aanwezigheid tevoorschijn.
  Odoorn was een illusie armer.

  Bron: Rond het Eppiesbergie - uitgave ROB
  


naar boven